De Javaans-Surinaamse gemeenschap draagt een unieke identiteit: het is de enige groep in Nederland waarin twee Nederlandse koloniale werelden samenkomen. Terwijl het huidige narratief spreekt van een scheiding tussen “Oost” en “West”, bestaat die scheidslijn voor ons niet. Het is één koloniaal systeem, en onze identiteit is daar de belichaming van. Ter gelegenheid van de herdenking van de Javaanse migratie op 9 augustus reflecteer ik op dit gedeelde verleden en de doorwerking ervan in het heden. In 2024 kwamen de drie Aziatisch-Surinaamse gemeenschappen voor het eerst samen tijdens de conferentie ‘Contractarbeid uit de Schaduw’, georganiseerd in samenwerking met het ministerie van OCW, om gezamenlijk de agenda voor de toekomst te formuleren. In de aanloop werden twee voorsessies georganiseerd waar de thema’s bewustwording, doorwerking en emancipatie en zichtbaarheid voor het eerst op collectieve wijze binnen de Javaans-Surinaamse gemeenschap werden besproken. Eén rode draad kwam telkens terug: onze taal verdwijnt. Terwijl het Javaans wereldwijd miljoenen sprekers kent, brokkelt het gebruik binnen de Javaans-Surinaamse diaspora steeds verder af. En dat is een groot probleem.
De structurele achterstelling van Javanen onder het Nederlands koloniale systeem
Voorafgaand aan de migratie naar Suriname waren de ouders en grootouders van de Javaanse contractarbeiders onderworpen aan het Cultuurstelsel in Indonesië (1830–1870), bekend van de roman Max Havelaar. Dit systeem, dat dwangarbeid en verplichte teelt van exportgewassen oplegde aan Javaanse boeren, wordt door veel historici beschouwd als een vorm van structurele slavernij. Grondbezitters moesten een groot deel van hun opbrengst afstaan. Wie daartoe niet in staat was, werd gestraft met lijfstraffen of onbetaalde arbeid op plantages en in fabrieken. Het Cultuurstelsel was buitengewoon winstgevend voor Nederland: het financierde ruim de helft van het staatsinkomen, loste oorlogsschulden af, betaalde voor infrastructurele projecten zoals het spoorwegennet en diende als bron voor de afkoopsommen na de afschaffing van de slavernij in Suriname en de Caribische eilanden. Het Cultuurstelsel was een systeem van groot menselijk lijden en hongersnood met vele doden als gevolg.
Na het cultuurstelsel en na de invoering van het contractarbeid in Indonesië, werd het 3-laags apartheidsstelsel geïmplementeerd ten tijde van de verplaatsing van de Javanen naar Suriname. Dit wettelijk stelsel van racisme laat nog steeds sporen na, zowel in Nederland als in Indonesië. De bovenste laag van deze hiërarchie bestond uit Indische Nederlanders, waaronder volbloed Europeanen en mensen van gemixte achtergrond. Hoewel mensen van Europese afkomst in elke laag van dit 3 laagse apartheidsstelsel voorkwamen, draaide het in de bovenste laag om juridische gelijkstelling. De term ‘Indisch’ is daarom een juridische en geen raciale aanduiding. De tweede laag bestond uit Indiërs, Chinezen en Arabieren oftewel de ‘Vreemde Oosterlingen’. In de derde en de laagste laag omvatte de Inheemse bevolking, oftewel de inlanders, van wie de rechten en privileges werden ontnomen zoals de toegang tot onderwijs.
Johannes Kielstra, die in 1933 werd benoemd tot gouverneur van Suriname, had daarvoor gewerkt in het koloniale bestuur in Indonesië, waar hij geïnspireerd raakte door het daar gehanteerde apartheidsstelsel. Kielstra staat berucht om de harde hand waarmee hij Suriname bestuurde, het doorvoeren van etnische scheidslijnen binnen de kolonie, en de voortzetting van het repressieve beleid waaronder eerder dat jaar Anton de Kom werd gearresteerd en gedeporteerd.
De Javanen vormden de laatste etnische groep die door Nederland werd verplaatst en geforceerd tot dwangarbeid. Hierdoor begon het emancipatieproces aanzienlijk later dan dat van andere bevolkingsgroepen in Suriname. Terwijl deze groepen al stappen konden zetten richting maatschappelijke vooruitgang, werden Javanen nog actief geïmporteerd voor contractarbeid. Binnen de koloniale samenleving werden zij vaak gestigmatiseerd als ‘de nieuwe slaven’ die het zware werk kwamen overnemen. Hierdoor hebben zij een enorme inhaalslag moeten maken om de andere etnische groepen te kunnen bijbenen.

Emancipatie en voortzetting van cultuurverlies gingen hand in hand
De emancipatie van de Javaanse gemeenschap kwam pas op gang in de late jaren zestig, mede dankzij betere onderwijskansen en de oprichting van internaten. De toegang tot onderwijs vergrootte de sociale mobiliteit. Hoewel de Javanen betere posities kregen in de maatschappij, was de assimilatie geen gelijkwaardig proces. Om te voldoen aan de westerse normen in Suriname, werden Javaanse betekenissen en waardes opgeofferd.
Daarbij speelde de historische tijdslijn een rol. Suriname kende een dubbele brain drain binnen de Javaans-Surinaamse gemeenschap. De eerste vond al in de jaren vijftig plaats, toen een deel van de gemeenschap remigreerde naar Indonesië. De tweede vond plaats ten tijde van de onafhankelijkheid, toen velen richting Nederland vertrokken. In die relatief korte periode had de Javaanse gemeenschap vergeleken met de andere groepen nauwelijks tijd om stevig te wortelen in Suriname, laat staan om een collectieve identiteit op te bouwen die bestand was tegen een volgende migratie.
Ondanks deze structurele desoriëntatie zijn er binnen de gemeenschap altijd sterke dragers geweest die bleven waken over het Javaans erfgoed. De veerkracht van de Javanen kan pas werkelijk gewaardeerd worden wanneer de onbelichte uitdagingen van de gemeenschap worden erkend.
Javaanse taalrevitalisatie vraagt om meer dan alleen taalcursussen
De verhalen van mijn familieleden, die hebben geleefd onder het Nederlands kolonialisme, nam ik mee naar de Verenigde Staten, waar ik gastlessen geef over de Javaans-Surinaamse identiteit aan verschillende onderwijsinstellingen. Daar kwam ik in contact met Inheemse studenten die het intergenerationeel trauma van kolonialisme met zich meedragen, waaronder het trauma dat is voortgekomen uit de internaten waar hun voorouders woonden. Zij dragen op hun manier bij aan koloniaal herstel, bijvoorbeeld door zich in te zetten voor taalrevitalisatie.
Terwijl ik met de pijn rondloop van het verlies van de Javaanse taal, begreep ik niet goed hoe dat verlies kan bestaan naast het feit dat er Javaanse taalcursussen beschikbaar zijn en dat de taal nog door miljoenen mensen wordt gesproken. Waarom is taal dan toch zo belangrijk? Waarom voel ik zo veel innerlijke obstakels om de Javaanse taal te leren, terwijl er zo veel middelen zijn? En waarom verdwijnt de taal langzaam uit de Javaans-Surinaamse gemeenschap? Terwijl ik woorden en onbewust gehoor gaf aan de pijn van de Inheemse studenten, gaven zij mij antwoorden op deze vraag.
In de Amerika’s is al een sterke taalrevitalisatiebeweging gaande onder Inheemse gemeenschappen. Taalrevitalisatie verwijst naar het proces van het herstellen, behouden en opnieuw tot leven brengen van een taal die aan het verdwijnen is of al gedeeltelijk is verloren gegaan. Het is een vorm van herstel, waarbij wordt erkend dat koloniale processen hebben bijgedragen aan taalverlies. Het doel is niet alleen dat de gemeenschap de taal spreekt, maar ook dat ze deze begrijpt en waardeert vanuit hun eigen perspectief, zonder vervorming door westerse interpretaties. De Nederlandse taal is niet gevormd om de diepgang van Javaanse waarden en normen uit te drukken. Om de Javaanse kennisleer te begrijpen is de beheersing van de taal dus belangrijk. Taal fungeert als lijm die een gemeenschap bijeenhoudt. Zonder dit, verliezen we het begrip over onszelf, elkaar en een groot gedeelte van de verbinding met ons voorouderlijk land.
Het verzet tegen koloniale uitwissing ligt in onze taal
De intergenerationele overdracht van de Javaanse taal binnen de Javaans-Surinaamse gemeenschap in Nederland verloopt niet zonder drempels. Ouderen ervaren regelmatig onbegrip of gevoelens van tekortschieten omdat zij de taal niet volledig hebben kunnen overdragen, terwijl jongeren zich juist schamen of frustraties voelen over hun taalverlies. Deze wederzijdse spanning ontstaat in een context waarin ouderen nooit als taalonderwijzers zijn opgeleid en de taal zelden functioneert in formele of maatschappelijke domeinen. Dit wijst op een fundamentele vraag: wat is vandaag de functie van de Javaanse taal in Nederland?
Het antwoord reikt verder dan taalcursussen. De gemeenschap wordt geconfronteerd met een gebrek aan structurele erkenning en institutionele ondersteuning, zowel op beleidsmatig als academisch niveau. Er is weinig tot geen onderzoek verricht naar de uitwerking van kolonialisme op de Javaanse-Surinamers en hun nakomelingen in Nederland, en de kennis die wél nodig is voor herstel en analyse moet grotendeels nog worden geproduceerd. Bovendien beweegt de gemeenschap zich tussen twee grotere diaspora’s – de Surinaamse en de verschillende groepen uit Indonesië – waarin de Javaans-Surinaamse stem ondervertegenwoordigd of overschaduwd blijft.
Daarbij komt het koloniale stigma dat Javanen als “onderdanig” en “stil” afbeeldt, een beeld dat diep geworteld is vanuit het koloniale verleden en dat tot op heden doorwerkt in representatie en zelfbeeld. Deze stereotyperende en geïnternaliseerde beelden maken het moeilijk om met urgentie taal- en cultuurherstel te bepleiten, zeker wanneer publieke erkenning en maatschappelijke ruimte ontbreken.
Zolang de taal slechts functioneert binnen privésferen, zal zij langzaam verder verdwijnen. Het is daarom van belang dat de functie van de Javaanse taal in Nederland opnieuw wordt gedefinieerd: niet als een nostalgisch element van het verleden, maar als een levend onderdeel van identiteit, gemeenschap en historisch herstel. Dat vraagt om politieke erkenning, academische productie en culturele ruimte, maar ook om een nieuwe gedeelde verbeelding van wat het betekent om Javaans-Surinaams te zijn in Nederland. Alleen dan kunnen taal en erfgoed bijdragen aan koloniaal herstel en hun rechtmatige plaats terugkrijgen in het collectieve geheugen en het dagelijks leven.